Tbilisi
Er gaat een verhaal over hoe Tbilisi is ontstaan. Koning Vakhtang Gorgasali was op jacht in het woud langs de Mtkvari-rivier. Een fazant die hij had neergeschoten viel in een warme bron en werd gekookt door het zwavelhoudende water. De koning zag het als een teken en stichtte op die plek een stad. Tbilisi, van het Georgische woord voor warm.
Dat was in de vijfde eeuw. Sindsdien is de stad bezet, verbrand, verwoest en herbouwd, keer op keer. Wat er nu staat is alles tegelijk: oud en nieuw, Oost en West, serieus en luchtig. Tbilisi is de stad die je het beste begrijpt door er gewoon in te lopen.
De oude stad
Het hart van Tbilisi is de oude stad, een gebied van zo'n twee vierkante kilometer op de oevers van de Mtkvari. De straten zijn smal en onregelmatig, de balkons van houten huizen hangen uit boven de stegen, de gevels zijn bekleed met houtsnijwerk dat al jaren vergaat maar er mooier door wordt.
De zwavelbaden zijn de oudste bezienswaardigheid van de stad. Ze zijn gevoed door hete natuurlijke bronnen die al duizenden jaren opwellen onder de rots. Van buiten herken je ze aan de koepelvormige daken die uit de grond steken. Van binnen zijn het intieme ruimten van tegels en stoom, waar je een privékamer kunt huren en uren kunt blijven. Het zwavel ruikt sterk. Na een tijdje valt het niet meer op.
Boven de zwavelbaden rijst het Narikala-fort op, een vesting uit de vierde eeuw die op een rots boven de stad hangt. Van boven kijk je over de hele oude stad, de rivier en de nieuwe wijken aan de overkant. Een klimmetje de moeite waard.
Metekhi en Rustaveli
Op een klif aan de overkant van de rivier staat de Metekhi-kerk, een dertiende-eeuwse kerk die al eeuwenlang over de stad waakt. Aan de voet van de klif staat het ruiterstandbeeld van Vakhtang Gorgasali, de stichter van de stad.
De Rustaveli-laan is de hoofdstraat van Tbilisi, anderhalve kilometer lang, omzoomd met platanen en negentigste-eeuwse gebouwen. Het parlement, de Opera, het Nationaal Museum en het Rustaveli Theater staan er allemaal op een rij. Op de laan zelf zijn cafés, winkels en mensen die flaneren. In de avond is het er vol.
Boven de stad, bereikbaar met de funiculaire, ligt het Mtatsminda-park. Van het terras kijk je over een zee van lichten en daken. Op heldere avonden zie je de Kaukasus in de verte.
Religie door elkaar
Wat Tbilisi onderscheidt van de meeste Europese hoofdsteden, is de religieuze mix die je op een wandeling tegenkomt. In de oude stad staan Georgisch-orthodoxe kerken, een Armeense kathedraal, een katholieke kerk, een soennitische moskee en twee synagogen, allemaal binnen loopafstand van elkaar. Ze staan er al eeuwen, naast elkaar, zonder ophef.
De grootste kerk van de stad is de Sameba-kathedraal, gebouwd aan het einde van de twintigste eeuw op een heuvel boven de stad. Ze is enorm, van dichtbij en van ver.
Eten en uitgaan
Tbilisi heeft een eetscène die de laatste jaren sterk is gegroeid. Naast de klassieke Georgische restaurants zijn er wijnbars die uitsluitend Georgische natuurwijn serveren, cafés met espresso en gebak, en restaurants die Georgische smaken combineren met invloeden uit andere keukens.
De Dezerter-bazaar is de grote overdekte markt van de stad, vol met groenten, vlees, kaas, kruiden en noten. Een ochtend doorbrengen tussen de kraampjes is een manier om de stad beter te begrijpen dan via elk monument.
's Avonds is Tbilisi levendig. De oude stad heeft terrassen en kleine restaurants die tot laat open zijn. De wijk Fabrika, een voormalige naaimachinesfabriek, is omgebouwd tot een complex van cafés, ateliers en muziekpodia. De nachtclub Bassiani in een voormalig zwembad is een van de bekendste clubs van Europa.
Vertrekpunt voor de rest van het land
Tbilisi is ook gewoon het logische beginpunt voor wie Georgië wil verkennen. Vanuit de hoofdstad is Mtskheta een halfuur rijden, Kakheti twee uur, Kazbegi drie uur. De meeste reizigers brengen een paar dagen in de stad door voor ze verder trekken. Genoeg om de sfeer te proeven. Te weinig om alles te zien.